Vissen op de Veluwe

Het is dinsdag 2 juli, ook vandaag heeft het geregend. Gelukkig zie ik door het raam van het boshuisje de lucht opentrekken. Tussen de toppen van de naaldbomen verschijnen grote stukken blauw, het dikke grijze wolkendek geeft zich eindelijk gewonnen. Ik klap mijn laptop dicht. Ik heb zin om naar buiten te gaan, te zitten en voor me uit te staren. Met een biertje in mijn hand plof ik neer op het bankje dat tegen het huisje staat. Het hout kraakt. Ik sluit mijn ogen en ruik de zoete harsgeur van de sparren om me heen. De wind brengt met iedere vlaag herinneringen mee. Zo ben ik even terug bij de wandelingen die we hier vroeger maakten: Vierhouten, Nunspeet, Elspeet. Het mulle zand, regenlaarzen, hond Ollie die in het bos altijd  dwaas van vreugde werd. Ik leun met mijn rug tegen het warme gebeitste hout van het huisje. In de verte klinkt een hoog geluid, een soort explosief tikken. Het is wat de hele tijd boven al het andere vogelgekwetter uitkomt. Dit moeten appelvinken of roodborstjes zijn. Ik vind het zoals altijd moeilijk om het verschil te bepalen. Ik weet dat de hoge ’tsiii’ van de appelvink voller is dan dat van het roodborstje, maar het lukt me niet ze daadwerkelijk op gehoor te onderscheiden. En ik vraag me af of ik het ooit ga leren, ik onthoud de verschillen niet en heb vrijwel altijd hulp nodig van een app. Bovendien kwetteren de vogels onophoudelijk door elkaar waardoor het in mijn hoofd uiteindelijk een grote verwarrende mengelmoes van geluid wordt.

Als ik mijn ogen weer open zie ik in het krentenboompje op zo’n 20 meter voor me de takken bewegen, bepaald niet subtiel. Een roodborst krijgt met zijn luttele 20 gram de boom niet zo in beweging. En van de appelvink weet ik dat hij een soort opgeblazen snavel heeft en een dikke nek waardoor hij met gemak van alles doormidden klieft. Ik sta heel voorzichtig op om binnen de telescoop te halen, gracieus en voorzichtig als ik ben stap ik gelijk op een tak. ‘Kak!’ De vogel schiet weg en verdwijnt hoog in de spar verderop. Ik meen toch echt een schim van die gezwollen snavel gezien te hebben. Dit moet een appelvink zijn. Ik loop door naar binnen en pak de telescoop. In gedachten spreek ik het beest toe: jij hebt honger vriend. En ik heb alle tijd vandaag. Ik installeer me opnieuw op het bankje en besluit net zo lang te wachten tot ik de vogel weer zie. Zo moet het voor hobbyvissers voelen, uren turen naar je dobber. Maar bij mij gaat het snel, ik heb meteen beet. Ik zie opnieuw woest geschud van takken, nu in het boompje links van het boshuis. Ik houd mijn adem in en manoeuvreer de lens van de telescoop naar de beweging. Ik zoom in, stel scherp en pats! Daar istie weer. De jonge appelvink. Zijn hele bek onder de roodpaarse besjes. Ik moet opnieuw lachen, het is zo’n komisch gezicht. Het is een all you can eat buffet en hij heeft haast, de helft van de bessen valt weer uit zijn gulzige grote bek. Even later zie ik de hele familie verschijnen. Pa, ma en nog een jong. Allemaal met eenzelfde eetlust, allemaal met dezelfde dikke ronde snavel helemaal onder het bessensap.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *