Naar het eind van je latijn en terug

Ze worden steeds jonger, hebben billen op stokjes en ellebogen die priemen. Ze giechelen achteloos de slotjes op hun beugel bloot en stuiteren over het veld als woeste veulens dartel in de wei. Het zijn de meisjes van de overkant. Het verjongde eerste elftal van De Meer. Net volgroeide broedsels met tomeloos veel energie en een lijf vol onstuimige hormonen. Ik heb er niet een zien zweten, horen hijgen ook niet trouwens.

En wij? Wij waren loom, wreven de slaap uit onze ogen. Hier en daar stonden wat onwillige grijze kruinen hoog op het achterhoofd. Te weinig slaap. Te vroeg. Te oud. Te warm. En het laatste biertje van de avond ervoor protesteerde. Seconden na het eerste fluitsignaal kroop er al iemand hyperventilerend over de achterlijn. ‘Eerst scoren dan kotsen’ is dit seizoen het motto. Het heeft ons in de beker al ver gebracht. Tegen De Meer moest er nog een tandje bij, ‘misschien wel twee tandjes’ hoorde ik Roemer proberen. Het was de dood of de gladiolen! Of zoals Johan altijd zegt: ‘Als je niet ken winnen, moe je zorgen dat je niet verliest.’ Da’s logisch. We wierpen ons vrouwmoedig voor de bal en strompelden naar het eind van ons latijn en terug. Langs de lijn ontstond ondertussen een waar veldhospitaal. We hielden knap stand, maar man-o-man wat kwamen we gehavend uit de strijd. Zaterdag spelen we tegen de oude postkolossen uit Geuzenveld. Heeft iemand een helm te leen?

One comment

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *