Meisjes voetbalden niet in Nunspeet

Ik was 10 jaar en wilde op voetbal. Ik wilde zo dolgraag. Maar ik had pech, het mocht niet. Meisjes voetbalden niet in Nunspeet. Ik dacht, ik wil best een jongetje zijn (ik kan goed allebei). Of een ander soort meisje als het moet: een die met haar benen bij elkaar zit, betamelijk probeert te zijn en zoet en braaf is… als ik maar mag. Helaas, zo werkte het niet. In het genadige hart van Onze Lieve Heer was geen ruimte voor dit soort buitensporigheden. Ik besloot een andere weg in te slaan, ik probeerde de rol van indringer.

We woonden in Nunspeet aan een statige laan: veel bomen, grote huizen, alleen maar nette mensen. Achter ons huis lag een flinke speeltuin met een grasveld. Ik waagde me daar nog niet, eerst moest ik beter worden. De tuin was mijn heilige oefenruimte. Ik repeteerde beweging. Steeds weer binnenkant voet, alsmaar de bal tegen de zware bielzen langs het gazon. Hoog spelen deed ik tegen de muur op het plaatsje naast ons huis. Tot mijn moeder gek werd van het gedreun van de bal: bonk-stuiter-bonk-stuiter-bonk. “Ga in godsnaam naar het voetbalveld!”

Mooi. Een nieuwe fase op mijn pad naar geluk; ik moest wel, mijn moeder zei het, in naam van God nog wel. Het werd een reuzenstap. Mijn lijf was klein en schriel en dat maakte het veld enorm. Aan beide kanten stond een massieve goal van bruin gelakte houten palen. Elke middag na school speelden de jongens uit de buurt daar ‘voor het echie’, meestal een wedstrijd Ajax – Feyenoord. Ik kon ze horen vanuit de tuin. Vanachter het hoge zolderraam gluurde ik naar ze en zag ik dat ze het gras in de doelgebieden al helemaal kaal hadden getrapt. Op een dag ben ik naar het veld gelopen en ‘gewoon’ mee gaan rennen. Na een aantal keer heen en weer riep ik zelfs om de bal. “Nee man, niet naar dat meisje!” kreeg ik terug. Dat was natuurlijk niet aardig. Maar ik had ambitie en trok het me niet aan. Ik meldde me iedere middag opnieuw en bleef vragen om de bal. Ze speelden op leven en dood en waren allemaal een bekende voetballer. In mijn rol als indringer koos ik tactisch  voor oud-Ajacied Simon Tahamata, een mooi compromis waarmee ik vrienden kon zijn met alle jongens. Tahamata ging dat jaar naar Feyenoord. Bovendien paste hij goed bij me, hij was snel en klein zoals ik.

Ik maakt eerst furore bij 'De Peertjes', het schoolkorfbalteam onder de 10 jaar.

Ik maakte overigens eerst furore bij ‘De Peertjes’, het schoolkorfbalteam onder de 10 jaar.

Mijn tenue koos ik met zorg, het werd steeds professioneler. Ik deed twee sokken in verschillende kleuren over elkaar, de ene langer dan de ander, waardoor het net leek alsof ik echte voetbalkousen aanhad. Van mijn vader kreeg ik het originele shirt van Feyenoord, zo’n glimmende Puma met het geel van sponsor Gouden Gids erop. Ze konden zo langzaamaan niet meer om me heen. In mijn herinnering vroeg meester Muis me in de lente van 1984 voor het schoolvoetbalteam. Het kan bij nader inzien ook zijn dat hij zich simpelweg gewonnen gaf. Ik was nogal vasthoudend. Om de dag vroeg ik of ik met het schoolteam mee mocht doen. Een paar maanden later zat ik in de selectie voor het jaarlijkse voetbaltoernooi in Spakenburg. In Spakenburg weigerden in 2008 nog vier ambtenaren homohuwelijken te sluiten, homo’s mogen niet trouwen van God.

Daar stond ik, met mijn korte dunne beentjes in het veel te grote voetbalbroekje van school. Echte voetbalsokken om mijn kuiten, mijn lange donkere haren in een paardenstaart. “Een deerntje?!” riep mijn tegenstander verschrikt. Na tien minuten werd ik gewisseld. Het maakte niet uit. Ik voelde me ongemakkelijk en flink tegelijk, en ik zal het nooit vergeten. Meisjes voetbalden namelijk wel in Nunspeet.

 

 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *